Column

Hoe je niet aan vlijt ten onder gaat

Mijn kind heb ik net uitgezwaaid voor tien dagen vakantie en voor het eerst sinds 4,5 maand heb ik het gevoel mijn eigen agenda te kunnen bepalen. Eindelijk kom ik toe aan rommelen, lezen (hoe toepasselijk: De wereld gaat aan vlijt ten onder van Max Dendermonde) en archiefwerk.
In het koele Stadsarchief is het goed toeven. Door het bladeren in brieven en telegrammen is het topje van mijn wijsvinger door inkt uit de jaren dertig zwart geworden. Ik verwonder me over hoe ze het allemaal gedaan kregen, vroeger, zonder tekstverwerkingsprogramma’s en e-mail. En ik vraag me af waar de tijd is gebleven die we sindsdien hebben bespaard.
Alsof de duvel ermee speelt vind ik tussen brieven van een Rotterdamse havenbaron een kattebel van de econoom J.M. Keynes. Een kleine eeuw geleden berekende hij dat de efficiëntie die toen al bereikt was door machines – de lopende band, de graanelevator – verder toe zou nemen. Zo ver, dat we uiteindelijk toe zouden kunnen met een werkweek van 15 uur.

‘Keynes had met die vijftien uur echt geen vetpot voor ogen’

Wat als Keynes even terug op aarde kwam? Hij zou zijn 15-uren-theorie onmiddellijk relativeren. Wat Keynes namelijk onderschatte, is dat mensen die succes hebben in hun werk vaak meer willen werken.

Een fenomeen dat hij zelf ironisch genoeg bevestigde, tot hij er in 1946, op 63-jarige leeftijd, dood bij neerviel.
Hij zou ook wijzen op wat wel klopt: dat we in het Westen inderdaad minder zijn gaan werken, de Nederlander met gemiddeld 29 uur per week nog het allerminst.
Keynes had met die vijftien uur echt geen vetpot voor ogen – de levensstandaard lag in de jaren dertig flink lager dan nu. Het ging hem om bestaanszekerheid: een van de belangrijkste voorwaarden voor lichamelijke en geestelijke gezondheid. Het principe van de 15-urige werkweek is niet hoeveel uren we moeten werken om rond te komen, maar dat niemand zich dood hoeft te werken om toch voldoende te hebben.
Net als in de jaren dertig kijken we tegen crisis en werkloosheid aan. Ook nu is het nodig de scheefgroei tussen werk en beloning aan te pakken.
In de vorige eeuw wilde Keynes dat doen door investeringen in grote publieke projecten. Nu zou hij misschien wel investeren in menselijk kapitaal, al was het alleen al omdat gezonde, blije mensen efficiënter werken. Eén manier daartoe zag Keynes alvast wel zitten, al leefde hij niet lang genoeg om het uit te werken: een universeel basisinkomen.
Basisinkomen of niet: het is nu tijd om Keynesiaans en anticyclisch te gaan denken. Opdat we niet – zoals Keynes zelf – aan vlijt ten onder gaan.

Hilde Sennema is freelance schrijver en bedrijfshistoricus, verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Reageer via columnist@fd.nl.